Gestoord gedrag, uitval en ziektes

Gestoord gedrag, uitval en ziektes - dierenwelzijnsproblemen bij leghennen

 

Verenpikken

Kippen in de moderne veehouderij vertonen vaak abnormaal gedrag als gevolg van stress en waarschijnlijk door het opgroeien zonder moeder. Zo is “zacht verenpikken” natuurlijk sociaal gedrag van kippen, maar het zachte verenpikken kan doorslaan naar intensiever pikken en dat kan leiden tot het beschadigen en uittrekken van veren. Hierdoor ontstaan kale plekken, het pikken gaat door op de huid van de kip (kannibalistisch pikken) en veroorzaakt wonden. Bloed zorgt voor nog intensiever pikken en kan overgaan in kannibalisme. Dit is het laatste stadium van verenpikken en heeft vaak de dood tot gevolg. Onder verenpikken wordt vaak ook verstaan het pikken naar kammen, lellen, poten en de cloaca (de darm, urine en eieruitgang). Overigens heeft dit intensieve verenpikken niks te maken met de “pikorde”, want daar wordt specifiek naar de kop of nek gepikt en dit leidt zelden tot het verlies van veren 30 . In de natuur komt dit verenpikken niet voor, maar ook wilde kippen vertonen verenpikken wanneer ze in gevangenschap worden gehouden, waarmee de hoofdoorzaak stress lijkt te zijn.
Verenpikken is een lastig en hardnekkig gedragsprobleem dat grote welzijnsproblemen veroorzaakt. Met name wanneer kippen loslopen in groepen en de snavels niet geknipt zijn is dit een probleem. Bij loslopende kippen kan het verenpikken minder goed door de boer in de gaten worden gehouden. Daarnaast richten niet gekapte snavels meer schade aan dan gekapte snavels.
Verenpikken wordt beïnvloed door verschillende factoren. De belangrijkste factoren zijn de opvoeding van kuikens door de moeder en stress bij de moeder, de rol van eet en foerageer gedrag bij jonge en volwassen dieren en de rol van stress en angst in het algemeen 31 . Ook genetische aspecten spelen hierin een rol. Helaas is veel onderzoek naar het voorkomen van verenpikken vooral gericht op de economische schade van verenpikken en veel minder op het welzijn van de hen.
Zoals we hebben gezien, groeien kuikens op zonder moeder. Ze komen uit het ei in een broedmachine en groeien daarna op met andere kuiken. Ook al zijn kippen al heel snel zelfstandig wanneer ze uit het ei komen, hun moeder leert hun waar ze naar moeten pikken, wanneer ze moeten rusten en hoe ze zich moeten gedragen. Het ontbreken van een moeder in de moderne leghenhouderij speelt zeer waarschijnlijk een grote en onderschatte rol in hoe kuikens en kippen zich gedragen ten opzichte van elkaar en het vermogen om normaal/natuurlijk gedrag te kunnen vertonen 32 .
Strooisel en ander afleidingsmateriaal helpt om verenpikken te verminderen, maar is niet afdoende. Kippen van bijvoorbeeld biologische boeren, die naast strooisel ook een vrije uitloop naar buiten hebben, vertonen toch verenpikken.
Kippen pikken meer agressief naar onbekende kippen dan naar bekende kippen. Echter bij groepen die groot genoeg zijn neemt het pikken vaak ook weer af. Dit komt waarschijnlijk doordat er zoveel onbekende kippen zijn, dat het ondoenlijk is om alle “concurrenten” weg te jagen.  
Jaarlijks worden van zo’n 54 miljoen kippen de snavel verkort (gebrand) om verwondingen als gevolg van pikken tegen te gaan 33 . Sinds 2015 mag het verkorten alleen gebeuren met infraroodstraling, waarbij zoveel hitte wordt gegenereerd dat het snavelweefsel binnen een paar weken afsterft en het snavelpuntje eraf valt. Vanaf 2018 wordt het verkorten van de snavel wettelijk verboden 34 . In verband met het verbod op snavelkappen wordt er al langere tijd onderzoek gedaan naar selectief fokken op minder agressie en naar andere staltypen met meer ruimte om snavelpikken te voorkomen 35 . Echter, snavelpikken blijft tot nu toe welzijnsprobleem nummer 1 bij leghennen. In 2006 werd er onderzoek gedaan bij 29 verschillende biologische bedrijven en was de situatie nog alarmerend te noemen 36 . Onderzoek uit 2017 laat zien dat er nog steeds veel onbekend is met betrekking tot verenpikken en vooral het voorkomen hiervan  37 . De vraag is dus of met het verbod op snavelkappen niet het ene welzijnsprobleem wordt opgelost, en het andere welzijnsprobleem wordt verergert.      

Uitval en ziektes

Toen boeren net begonnen met het op grote schaal houden van leghennen, steeg het percentage dieren wat vroegtijdig overleed (uitval) van 5-6% naar maar liefst 20% 38 . Dit had met name te maken met het aantal ziektes die toenamen door het dicht op elkaar houden van zoveel hennen. Alleen door allerlei (kunst)ingrepen, zoals bijvoorbeeld vaccineren, kon de uitval weer naar beneden worden gebracht. Ook het houden van hennen in kooien (legbatterijen) kwam hieruit voort;l er was nu veel minder contact met soortgenoten en de kippen werden gescheiden van hun eigen uitwerpselen. Nu de legbatterijen zijn afgeschaft, komen sommige van deze problemen weer terug. Zo is geconstateerd dat bij stalsystemen waarbij leghennen niet meer in kooien zitten, juist meer (oude) ziektes voorkomen, waarschijnlijk doordat kippen meer contact hebben met soortgenoten en met hun eigen uitwerpselen waar veel ziektekiemen in zitten 39 .  
Over het algemeen volgt het uitvalpercentage gedurende de legperiode een duidelijk trend. De periode wanneer een koppel leghennen in een stal wordt geplaatst is zeer stressvol. Zo kunnen kippen elkaar dooddrukken, gaan ze verenpikken of sterven ze langzaam omdat ze het water en/of voedsel niet kunnen vinden in de nieuwe stal. Nadat de kippen gewend zijn aan de nieuwe omgeving, is de uitval van 30 tot 50 weken vrijwel stabiel en relatief laag (tot ongeveer 2%). Na 50 weken neemt de uitval echter weer toe tot ongeveer 8%, vooral omdat de hennen dan eigenlijk al “versleten” zijn en de weerstand afneemt
.  
Er kan onderscheid gemaakt tussen “natuurlijke” dood en dood door ziekte. Natuurlijke dood heeft overigens vaak te maken met het leggen van eieren. Uit een recent Amerikaans onderzoek bleek dat 26,6% van de “natuurlijk” gestorven leghennen was gestorven aan “Egg Yolk Peritonitis” (EYP) 40 . De eileider is een soort trechter die de eicel opvangt wanneer deze vrijkomt uit de eierstok. Bij legkippen kan dit regelmatig of zelfs permanent misgaan, waardoor de eicel in de buikholte terecht komt in plaats van in de eileider. De niet ontwikkelde eieren kunnen hier ophopen en ontsteken en uiteindelijk tot de dood leiden.
  Kippen kunnen een heel scala aan ziektes en parasieten krijgen. Deels komt dit door de verminderde weerstand die de kippen hebben als gevolg van selectief fokken op maximale eierproductie wat ten koste gaat van het immuunsysteem  41 . Ook staan de kippen veelvuldig bloot aan stress, wat ook zorgt voor een verminderde weerstand 42 . Anderzijds zijn leghennenstallen ideale broedplaatsen voor ziektes door de vele dieren die bij elkaar zitten, de zo goed al constante en relatief hoge temperatuur het hele jaar door, vochtige en donkere plekken en contact met eigen uitwerpselen (mest).  

Bloedluis of vogelmijt

Inmiddels bekend en berucht vanwege het fipronil schandaal, waarbij ruim 2,5 miljoen gezonde kippen zijn geruimd, is de bloedluis. De bloedluis is eigenlijk een verkeerde naam, want de “luis” is namelijk een mijt; de vogelmijt. Dit is de meest voorkomende parasiet bij leghennen in Europa. In Nederland is 94% van de pluimveebedrijven besmet met de mijt en op één kip kunnen wel 50.000 tot 500.000 mijten voorkomen. De vogelmijt kan daarbij ook nog eens virussen en bacteriën verspreiden.
De hennen raken gestrest door de jeuk die de mijt veroorzaakt, pikken naar de mijten en beschadigen hun eigen verenkleed. Door de jeuk en stress neemt ook agressief gedrag toe wat het verenpikken verergert. Uiteindelijk kunnen de hennen sterven als gevolg van bloedverlies en/of verenpikken 43 . Ook worden er minder eieren en eieren van een slechtere kwaliteit gelegd. De financiële schade als gevolg van de vogelmijt wordt door de WUR geschat op meer dan € 130 miljoen per jaar in Europa 44 . De vogelmijtproblematiek is echter inherent aan de huidige manier van kippen houden. De problematiek bestaat al sinds men kippen professioneel houdt en is de afgelopen decennia alleen maar toegenomen. Vooral de afwezigheid van seizoenen en het constante stalklimaat in het algemeen zijn de belangrijkste factoren van de aanwezigheid van grote aantallen mijten 45 . De vogelmijt gedijt dus erg goed onder de zeer onnatuurlijke omstandigheden waarin leghennen worden gehouden.

E.coli

Een infectie met de bacterie Escherichia coli (E.coli) is een van de belangrijkste oorzaken van uitval
. Meestal betreft het een specifiek type E.coli  ook wel aangeduid als APEC (Avian Pathogenic E.Coli) en wordt deze ziekte colibacillose genoemd.
De infectie komt vaak voor als zogenaamde secundaire infectie. Dit betekent dat de weerstand van de hen al laag is door een andere oorzaak, zoals bijvoorbeeld bloedmijt of verenpikken en vervolgens krijgt de normaal gesproken “onschuldige” darmbacterie de kans om flink te groeien en andere lichaamsdelen te infecteren. Ook zorgen bijvoorbeeld te hoge ammoniakconcentraties, overbezetting of virale infecties voor verzwakking van het ademhalingsepitheel en maken de weg vrij voor kolonisatie door een APEC 46 . De grootse risicofactoren voor een infectie zijn: temperatuur in de stal, de hoeveelheid kippen per vierkante meter en de kwaliteit van het drinkwater 47 . E.coli groeit het liefst bij een temperatuur van 18-44°C en het stalklimaat is daarom ideaal met een constante temperatuur van ongeveer 20°C. Hoe meer leghennen in de stal hoe groter de kans op infecties. Een toename van het stalvolume met 1 liter per hen, zorgt al voor een 33% lager risico op colibacillose 48 .

Vogelgriep

Vogelgriep is waarschijnlijk voor de meeste mensen de bekendste kippenziekte omdat dit regelmatig in het nieuws is vanwege de vele ruimingen. Vogelgriep kent twee varianten, de milde variant (laagpathogeen) en de gevaarlijke variant (hoogpathogeen). Deze laatste wordt ook wel vogelpest genoemd. Dieren die de milde variant hebben, vertonen nauwelijks ziekteverschijnselen. Toch worden ook deze leghennen geruimd, omdat de milde variant over kan gaan naar de gevaarlijke vorm. In zeldzame gevallen kunnen bepaalde typen vogelgriep ook mensen besmetten.
In 2003 werd maar liefst een derde van de hele pluimveel stapel vernietigd in verband met vogelgriep. Dertig miljoen dieren werden met stroomstoten of door vergassing omgebracht. Het betrof destijds de H7N7 variant, waar ook 89 mensen mee werden besmet. Een van hen overleefde dat niet. In 2016 zijn meer dan 1 miljoen leghennen geruimd vanwege een H5N8 variant om verspreiding naar andere bedrijven tegen te gaan. In dat jaar vond de langste ophokplicht (kippen verplicht binnen houden) ooit in Nederland plaats, namelijk 5 maanden. Er was geen besmetting naar mensen toe bij deze variant.
In december 2017 is er opnieuw vogelgriep vastgesteld op een vleeseemden bedrijf en worden 16.000 eenden “geruimd”. Omdat het vermoedelijk een hoogpathogene H5 variant betreft, is er een landelijke ophokplicht uitegeroepen.
Pluimvee met een vrije uitloop heeft een verhoogd risico om vogelgriep op te lopen 49 . Vaak worden wilde (trek)vogels zoals eenden en ganzen als schuldigen aangewezen en zouden zij de ziekte overbrengen naar de leghennen. Onderzoek uit 2014 laat echter het tegendeel zien; trekvogels brengen het virus niet het land in, maar lopen het juist hier op  50 . Intensief (internationaal) transport van dieren en dierproducten is een veel waarschijnlijkere verspreidingsroute van het virus  51 .
Vaccinatie tegen vogelgriep is mogelijk, maar wordt vooral om economische redenen niet gedaan. Het is lastig, kostbaar en ons belangrijkste exportland, Duitsland, wil geen producten van gevaccineerde dieren 52 .
Ook bij deze ziekte zorgen de onnatuurlijke omstandigheden waaronder de kippen worden gehouden ervoor dat het virus goed kan gedijen; een combinatie van lage weerstand, een hoge dichtheid aan kippen en ideaal stalklimaat voor het virus (vochtig, donker, warm).

Borstbeen afwijkingen

Afwijkingen aan het borstbeen zijn een van de belangrijkste welzijnsproblemen in de moderne leghenhouderij  53 . Een Vlaams onderzoek uit 2015 liet zien dat na 60 weken 60% van de leghennen in volière-stallen een borstbeenafwijking had 54 . Uit onderzoek van het Instituut voor Lanbouw- en Visserijonderzoek (ILVO) in 47 Belgische volière stallen bleek dat maar liefst 82,5% van de hennen aan het einde van de productieronde één of enkele breuken had opgelopen. Bij grondhuisvesting lag dit percentage op 58% en bij verrijkte kooien op 62% 55 . Het ILVO onderzoek liet ook zien dat 59,8 % van de onderzochte hennen een kromming (afwijking) van het borstbeen had 56 . Afwijkingen worden met name veroorzaakt door de vorm en het materiaal van zitstokken; harde, onbuigzame materialen leveren meer deformaties van het borstbeen op dan zachtere/buigzame materialen  53 . Wanneer een hen op een zitstok zit, steunt namelijk twee derde van haar gewicht op het borstbeen.
Breuken en herstelde breuken hebben een grote invloed op het welzijn van de hennen. Zo bleek dat hennen met herstelde breuken chronisch pijn lijden 57 . Daarnaast verminderen (herstelde) breuken de mobiliteit van de hen en hebben ook een negatieve invloed op de eierproductie 58 .

Botontkalking

Bontontkalking oftewel osteoporose is naast te weinig beweging een van de belangrijkste oorzaken van zwakke botten en botbreuken. Het leggen van grote hoeveelheden eieren vraagt enorm veel van een leghen. Zo is er voor de eieren die een hen legt tijdens een legperiode 20-30 keer zoveel calcium nodig als de hen kan opslaan in haar lichaam 59 . Doordat er calcium voor de eierschaal aan de botten wordt onttrokken, worden botten brozer. Ze kunnen met name richting het einde van de legronde sneller breken, wat erg pijnlijk is. In kooien, waar de leghennen bij gebrek aan bewegingsvrijheid meer last van botontkalking hebben, werd geschat dat 80 tot 89% van de leghennen aan osteoporose leed 60 . Tevens werd geschat dat 13 tot 35% van de uitval in kooien werd veroorzaakt door botontkalking. In scharrelstallen, waar de totale uitval hoger ligt, is het aandeel van de uitval door botontkalking lager  35 . 
In een recent Amerikaans onderzoek bleek dat van de ‘natuurlijk’ gestorven leghennen, maar liefst 16,8 % was gestorven door hypocalciëmie 40 . Hypocalciëmie is een te laag gehalte aan calcium in het bloed, omdat al het calcium naar het maken van het ei is gegaan. Door dit te lage gehalte kunnen spieren gaan verkrampen en sterven de kippen door verstikking.

Voetproblemen

Ook problemen aan de voeten/voetzolen komen veel voor (hyperkeratose, voetzool dermatitus  en “bumble foot”). Belangrijke factoren voor het veroorzaken van deze problemen zijn: het staltype, nat strooisel, zitstok- en vloermateriaal, zitstokgedrag en slechte poothygiëne.
Hyperkeratose is een sterke verhoorning van de huid van de voeten is. Voetzool dermatitus is een onderhuidse ontsteking van de voetzool wat kan leiden tot dood weefsel en zweren. In erge gevallen kan dit overgaan tot bolvormige laesies en zwelling; de zogenaamde “Bumble foot”, wat een erg pijnlijke aandoening is. “Bumble foot” komt met name voor in systemen met (harde) zitstokken. Een ondergrond met slechte hygiëne zoals nat strooisel of mest, vergroot de kans op het “bumble foot” syndroom 61 . Dit is vaker het geval bij scharrelstallen met een harde ondergrond en een vrije uitloop met weinig begroeiing.
In een onderzoek bij 47 bedrijven in België kreeg maar liefst 71% van de leghennen te maken met voetproblemen in een periode van 60 weken. Hyperkeratose was het meest voorkomend met 42 % 53 .

Cloaca prolaps

Tijdens het leggen van een ei wordt het laatste deel van de legdarm binnenstebuiten gekeerd en komt tijdelijk buiten het lichaam, zodat er een schoon ei gelegd kan worden. Soms gaat de legdarm echter niet goed terug en blijft uit de cloaca hangen. Dit komt vooral voor bij oudere dieren, waarbij de spieren die zorgen voor de terugtrekking versleten zijn door het vele eierleggen 62 . Een opvallende cloaca is bovendien aantrekkelijk voor andere kippen om naar te pikken en zo gaat het van kwaad naar erger.  
Steun Ongehoord