Leven in de industrie

 

Intensieve varkenshouderij

In Nederland leven er op dit moment zo’n 12 miljoen varkens, wat echter een vertekend beeld geeft van de werkelijke aantallen, aangezien er bijvoorbeeld ruim 30 miljoen biggen per jaar worden geboren. Van deze biggen sterven er ongeveer 6 miljoen vroegtijdig en omdat er meer biggen “geproduceerd” worden dan er kunnen worden vetgemest tot vleesvarken, wordt eveneens een aanzienlijk deel (6-7 miljoen) op jonge leeftijd geëxporteerd naar het buitenland. Daarnaast worden er ook nog eens 3 miljoen vleesvarkens levend geëxporteerd naar het buitenland. Hiermee staat Nederland in de top van de varkens exporterende landen in Europa.
Vanaf 2000 is het aantal varkensbedrijven sterk gedaald. Zo waren er in 2000 7,7 duizend bedrijven en in 2015 was dat met 56% afgenomen tot 3,4 duizend. Echter, in diezelfde tijd is het aantal varkens met 12% toegenomen tot 12 miljoen, wat betekent dat er steeds meer varkens per bedrijf worden gehouden 4 .
Varkens in de moderne varkenshouderij zijn echter niet meer de varkens van vroeger. Inmiddels is een “fokzeug” 2 keer zo groot als een wild zwijn en heeft 2 keer zoveel tepels 5 . Het selectief fokken van vooral de laatste decennia is puur gericht op maximale productie; zoveel mogelijk biggetjes en zo snel mogelijke groei. Zo groeit een varken met ongeveer 0,8 kg per dag en bereiken ze al na ongeveer 7 maanden hun maximale gewicht van 120 kg, waarna ze naar het slachthuis worden afgevoerd. Het selectief fokken op individuele eigenschappen gaat vaak ten koste van andere eigenschappen zoals gezondheid, stressbestendigheid en/of sociaal gedrag 6 . Zo hebben de welbekende roze varkens (in vaktaal “witte” varkens) in verhouding korte poten en een lang lichaam en daardoor onnatuurlijke gewichtsverhoudingen met alle gevolgen van dien. Topigs Norsvin, een van de grootste fokbedrijven ter wereld streeft naar “kruisingen” die 40 biggetjes per jaar kunnen “produceren”. Momenteel ligt dat aantal op 30-35 biggen per varken per jaar. Ter vergelijking; een wild zwijn krijgt gemiddeld maar 6-12 jongen per jaar (afhankelijk van het gebied waar ze leven en het voedselaanbod)  7 .
Grotere worpen worden in verband gebracht met een hogere biggensterfte en een negatief effect op het welzijn als gevolg van competitie tussen de biggetjes onderling, omdat er vaak te weinig tepels zijn om aan te zogen en door een lager geboorte gewicht wat ze vatbaarder voor ziekten maakt 8 . Ook voor het moedervarken zelf levert dit extra stress op. Omdat er gemiddeld meer biggen per varken worden geboren dan een zeug kan voeden wordt er veelvuldig gebruikt gemaakt van zogenaamde “pleegzeugen” en kunstmatige “opfoksystemen” (een soort couveuses). Wettelijk mogen biggen pas gespeend worden (bij hun moeder weggehaald) na 28 dagen en onder bepaalde voorwaarden bij wijze van uitzondering al eerder tot minimaal 21 dagen. Echter dit laatste gebeurt in de huidige varkenssector niet incidenteel, maar structureel vooral vanwege economische redenen  9 .  In conventionele huisvesting is spenen een abrupte en daardoor zeer stressvolle gebeurtenis voor biggetjes die vaak leidt tot een zogenaamde speendip, waarbij de voeropname, groei en weerstand van biggen verminderd zijn. In de natuur is spenen een geleidelijk proces dat 15-22 weken na de geboorte eindigt  10 .  
Een ander opmerkelijk verschil tussen varkens uit de intensieve varkenshouderij en “natuurlijke” varkens is de leeftijd. Vleesvarkens worden na 6-8 maanden al geslacht en zeugen vaak al na 2 jaar, omdat ze dan economisch niet meer rendabel zijn. In het wild worden varkens echter makkelijk 10-15 jaar en zijn er gevallen bekend van 20-25 jaar. In Nederland halen dus de meeste varkens hun eerste levensjaar niet. Figuur 1. Maximale leeftijd van een vleesvarken en moedervarken (zeug) in de moderne veehouderij in vergelijking met hun natuurlijke leeftijd.
Steun Ongehoord